BOM CAMINHO!

with Geen reacties

PELGRIMEREN ZONDER LIJDEN

Ergens ben je een slappe pelgrim als je de fiets pakt in plaats van wandelt, en geen zevenentwintig maar slechts negen dagen zwoegt om in Santiago de Compostela te komen. Maar slap zijn heeft ook zo zijn voordelen. Op Pad liet zijn baard staan en verkende de Caminho Português.

 

Caminho Português-34
Meer foto’s hier …

 

De beste pelgrimsweg voor fietsers.

 

“Peregrinas, peregrinas!”, roept de man vanuit zijn tuin, “U moet naar rechts, hier, het pad op bij de gele pijl!” “Dank u! Maar wij niet”, roept peregrina Elisabeth terug, “wij gaan over de weg.” Hij houdt vol: “Nee, nee, u móet naar rechts”. We zijn eigenwijs. Het pijltje van de GPS wijst toch zeker rechtdoor? Maar er is iets veranderd en de weg loopt dood. We keren terug. De man staat er nog. Hij lacht vriendelijk. “Bueno!”, roept hij opgelucht. “Bom Caminho!”
Meestal heeft de GPS gelijk. We volgen de gele pijlen van de bestaande pelgrimsroute, de Caminho Português, maar soms ook niet. Portugese vrienden van outdoororganisatie A2Z Adventures hebben hem aangepast voor de fiets. We mijden hierdoor drukke asfaltwegen – daar wandelen die pelgrims soms wel – en twintig centimeter brede richels naast water of hellingen (daar gaan de wandelaars ook overheen).
Het doel is wel hetzelfde. Hét bedevaartsoord van de westerse wereld, Santiago de Compostela, de stad van de heilige Sint Jacobus de Meerdere. De visser uit Galilea die apostel werd en een marteldood stierf. Waarom? Omdat het mooi is te fietsen met een doel, en omdat we zo’n pelgrimstocht ook wel eens willen meemaken. Door de fiets te pakken kan dat zonder in het groepsproces te worden gezogen, het aspect van het pelgrimeren dat ons het minste trekt. Wie fietst bewaart zijn onafhankelijkheid. Fietspelgrims komen niet elke avond met zijn allen op dezelfde plek aan. “Ik laat alvast mijn baard staan”, riep Elisabeth enthousiast toen ik over het plan vertelde. “Pelgrims scheren zich onderweg toch niet?”


 “Als jullie met pensioen zijn moet je hier komen wonen”, zegt een oude heer met een snor. “We stellen buitenlanders vrij van belasting!” We slaan het genereuze aanbod nog héél even af.

Caminho Português-16

Geel-wit
Als nep-pelgrim mag je best een stukje overslaan. Daarom laten we de eerste etappe met drukke wegen, voorsteden en buitenwijken van Lissabon voor wat die is. We beginnen in Golegã, dat je uitspreekt als naam van de Franse schilder Gauguin. Een paardenfokkersdorp in geel-wit. De straten zijn bedekt met kinderhoofdjes, ’s avonds worden ze verlicht door ouderwetse lantaarns. De omgeving: bijna uitgestorven dorpen met alleen wat stokouden, een verlaten quinta, en een boerderij met een tandeloze man, een siamees en vier paarden. Olijfbomen. Klaprozen. En ter afwisseling van alle rust een slaperig stadje, Tomar.
Ach, Tomar. We hadden er nog nooit van gehoord, maar vinden het een must. Hier móet je van de fiets af. De stad is trots op het Convent van Christusklooster in het tempelierskasteel – Unesco werelderfgoed – maar is ook verder geweldig. Er zijn authentieke restaurants (tip: lunch in Casa Matrena of Casa das Ratas, twee restaurants in dezelfde straat van dezelfde eigenaar), er is een groot zwart-wit geblokt plein, er zijn azulejos , die blauwe, typisch Portugese wandtegels, en er zijn schatten van mensen. “Als jullie met pensioen zijn moet je hier komen wonen”, zegt een oude heer met een snor. “We stellen buitenlanders vrij van belasting!”
We slaan het genereuze aanbod nog héél even af. Al was het maar omdat we op pelgrimstocht zijn, en onderweg naar de pelgrimshalte Alvaiázere. We logeren er. We eten er een pelgrimsmenu (3 gangen voor 10 euro). We lachen met onze pelgrimsbuurvrouwen, die Oostenrijksen blijken te zijn. En we integreren met een groepje jonge Engelse pelgrims. “This is a great spot for a beer”, zeggen ze terwijl ze hun halveliterflessen ledigen.

Caminho Português-51

Ketters
De volgende morgen zijn we weer alleen met de knisperdeknisperfrisse natuur, de baggerpaadjes en de toch wel geniepige heuveltjes. Op een hele dag komen we slechts één wandelpelgrim tegen. De gebeurtenis vindt plaats in Rabaçal – Café Bonito, Food, sleeps, stamp, de wandelaar is de 70-jarige Tadao Katoh. “Uit Japan!”, zegt Elisabeth. “Dat is toch wel leuk van pelgrims. Ze komen echt overal vandaan.” “En u komt uit Nederland?”, zegt Tadao. “Wat geweldig, de Nederlandse vrouwen zijn groot en sterk. Ik ontmoette er al een die bier en wijn dronk als een ketter! Maar aardig! En zo open-minded. O, en weet u of ik hier kan overnachten? Voor vandaag ben ik het zat. Happy worden is mijn doel, en dat is vandaag alweer bereikt!” We wijzen Tadao op het bordje Food, sleeps, stamp, en springen zelf weer op de fiets. “Bom Caminho!”, roept Tadao.
Als slappe pelgrims doen we relaxte afstanden. Maar die zijn dankzij onverharde wegen en de immer uit het noorden waaiende wind toch nog aardig pittig, waardoor we nooit vroeg aankomen. Dat is geen nadeel. Als we op de plaats van bestemming zijn, zijn we lekker moe maar niet zo moe dat we geen zin meer hebben in een rondje door de stad (Coïmbra! Porto!). Alleen op dag 3 zijn we volledig uitgewoond. Het is de langste dag: 113 kilometer, met straffe wind van Sint Jacob, uit het Noorden. En er is een probleem. In Aveiro moeten we het water over. Normaal gesproken kan dat met een pontje. Maar vandaag niet. Er ligt alleen een piepklein plezierjachtje. “Zou dat hem zijn?”, zegt Elisabeth, “dat zál toch niet?”
Het zal dus wel. Maar wat erger is: de schipper wil ons niet mee hebben. “Dit is niet de gewone pont”, zegt hij. “Die ligt in reparatie. Met deze mogen alleen voetgangers mee.”
Als ware, vredelievende pelgrims zouden we ons in ons lot moeten schikken. Dat doen we niet – alweer een aftrekpuntje. Als we moeten omfietsen komt er zo’n 80 kilometer bij. Dat is teveel gevraagd. “Die fietsen kunnen er best bij”, zeg ik, en til mijn fiets aan boord. Hij gaat er even hard weer uit. “Geen schijn van kans, dame.” “Geef het nummer van uw baas”, zeg ik. “Dan regel ik het zelf wel even.” Hij lacht me uit.
In de zeemanskroeg vlakbij gaan we ons beraden. We leggen het probleem uit aan een man aan de bar. “Wacht maar”, zegt die.
Even later komt hij terug met een schipper. Miguel. Voor een tientje wil hij ons wel over zetten. We vallen hem bijna snikkend in de armen.


 “Die fietsen kunnen er best bij”, zeg ik, en til mijn fiets aan boord. Hij gaat er even hard weer uit. “Geen schijn van kans, dame.” Hij lacht me uit.

Caminho Português-15Schelp en staf
Veel wandelpelgrims blijken maar de helft van de hele caminho te doen. Zodoende wordt het na Porto drukker. Prima! De caminho heeft in de noordelijke helft van Portugal 2 takken: eentje langs de kust (die nemen we) en eentje door het binnenland. De pelgrims verspreiden zich dus ook weer. Daarbij krijgen we lol in de mensensoort pelgrim. Sinds Tadao Katoh turven we de nationaliteiten, en bestuderen we de verschillen en overeenkomsten. De overeenkomsten die we al hebben: 1. De schelp. Een jacobsschelp dus, als symbool voor Sint Jacob, door wie het allemaal is begonnen met die pelgrimages. Duidelijk zichtbaar op te hangen aan de rugzak. 2. De dikke, knoestige staf. Waar die vandaan komt is nog onderwerp van studie. 3. De felgekleurde, donkerblauwe dan wel legergroene poncho. Waar die voor nodig is begrijpen we. In het weldadige Portugal regent het deze maand (mei) geregeld!
Hoe verder naar het noorden hoe mooier de kustroute wordt. Voorbij Esposende genieten we er extra lang van. Het zand is mul en het heuvelt ook nog – kijk ze zwoegen!, zouden de wandelpelgrims kunnen zeggen als ze er waren geweest – maar het is een van de mooiste stukken van de Caminho. De kiezelstranden blinken je tegemoet. Er liggen kiezels als eieren, er bloeit een vogelmelk-achtige plant en het is onbedorven en eenzaam. Ongelooflijk dat hier niemand is. Of bijna niemand. Bij drie huizen en een kerk is een bouwvakkersploeg aan het werk aan een kruisbeeld. We mogen er niet langs. Omfietsen? Hm. Dan zouden we weleens kunnen verdwalen. In plaats van om te rijden snijden we af. Een shortcut door de duinen, én over wat landbouwgronden. Voorzichtig duwen we de fietsen langs de rand. Een vrouw betrapt ons. Ze lacht een paar tanden en wat gaten bloot. Op het land dat ze schoffelt groeien kolen, uien en aardappelen, het volksvoedsel van de Portugezen. Ik snap wel dat ze lacht. Volkomen geschuffeld die twee!
Dat vinden we zelf na een tijdje ploegen door het zand ook. Zodoende zoeken we de weg weer op. “Kunnen we ook nog even fietsen”, zegt de peregrina naast mij. “Voor zolang als het duurt.”Inderdaad laat het volgende stuk onverhard niet lang op zich wachten. Langs de rivier de Lima rijden we over een blubberpaadje, en soms een karrespoor. Maar het is vlak! En mooi! Dus het gaat lekker.

Caminho Português-29

Aflaat
Het blijft maar lekker gaan. Op de laatste dag slaan we soms een lusje onverhard over (slappe pelgrims tenslotte) en schieten over onvervalst asfalt vooruit. Ook helpt de wind een handje mee. Die is ineens gedraaid. Hadden we tot nu toe een straffe tegenwind, nu blaast de wind ons met kracht naar Santiago toe. Sint Jacob komt ons halen!
Niet alleen ons, blijkt zodra we de stad waar zijn resten rusten betreden. In Santiago komen alle pelgrims ter wereld bij elkaar. Overal staan rijen. Om de kathedraal in te komen, om het ‘diploma’ te halen (twee uur wachttijd!), voor de zegen, de aflaat, of het welverdiende bier. Het aantal getelde nationaliteiten komt op ontelbaar te staan. Geen doen hier! Het maakt ook niets meer uit. We gaan met de meute de kathedraal in. Er wordt geen zegen uitgesproken, wat betekent dat niemand €300 heeft gedokt. Geen fanatici blijkbaar vandaag. Wel leuke lui! Iedereen is aardig, heeft baardgroei en verhalen, en wil met je drinken. We worden vrienden met de halve stad. Als we eindelijk terug naar het hotel waggelen dringt zich zomaar een idee op.
“Volgend jaar toch maar een voetpelgrimage van zeven weken?”
“Daar moet ik toch nog héél even over nadenken”, zegt peregrina Elisabeth.

4 x NIET TE MISSEN ONDERWEG

Lissabon
Eigenlijk zou je in alle Portugese steden wat langer moeten blijven, en in Lissabon al helemaal. Het is een van de geneugten van de route: het eten, het drinken en de cultuur van de steden. Ga in Lissabon bijvoorbeeld wandelen in de Alfama, iets drinken in de Bairro Alto, of met een trammetje (28 is leuk) op verkenning. Bewonder Belém, de wijk met werelderfgoed Mosteiro dos Jerónimos. Bezoek als je nog even tijd hebt het Calouste-Gulbenkian Museum of het fraai vormgegeven Casa de Amália Rodriguez.

Tomar
Het leuke van Tomar is dat het oogt als een slaperig stadje, maar wel een van dé highlights van Portugal in huis heeft. Het Convento de Cristo, een kasteel en een klooster van de Orde van de Tempeliers. Zo’n slordige achteneenhalve eeuw oud. Zo’n 45 hectare groot. Het complex ligt boven de stad. Toeristenbussen stoppen er voor de deur – de reden dat het stadje zelf zo slaperig is. Wat niet wil zeggen dat daar niets aan is. Integendeel!

Coïmbra
Fadostad is behalve Lissabon, dé fadostad van Portugal, om precies te zijn van de mannelijke fado – dus die door mannen wordt gezongen. Dat komt doordat de universiteit lang een mannenuniversiteit was. De fado is hun liefdeslied. De universiteit is de oudste van het land, in de Middeleeuwen was Coïmbra de hoofdstad van Portugal. Loop zeker even naar de oude universiteit. Let ook op de studentenhuizen. Die zijn georganiseerd als communistische enclaves. Repúblicas heten ze.

Porto
De stad aan de monding van de Douro is de stad van de port. Ga hier dus portproeven – het kan overal. Bij de grote porthuizen langs de kade aan de overkant, maar (leuker!) ook bij kleine wijnbars. Ook voor de andere geneugten des levens (eten, uitgaan, terrasjes, cafés, winkels) is Porto the place to be. Héerlijke stad, in elk opzicht.