De grote spoorwegcarrousel

with Geen reacties

Ooit was ik in India. Men zei: “Het is liefde of haat, iets ertussenin bestaat niet voor ons land. Wie lief heeft keert terug, wie haat zien we nooit meer.” Ik zei dat ik terug zou komen.

India 2-02

Meer foto’s van India hier….

 

TREIN 1. Konkan Railway

Mumbai-Madgaon, 765 km

Perron 16, Chhatrapati Shivaji Terminus, kortweg CST. De Mandovi Express van Mumbai naar Madgaon staat al klaar voor de rit over de fameuze Konkan Railway, aangelegd door de bergachtige en noodweergevoelige westkust. Een ingenieurshoogstandje met 91 tunnels en 2000 bruggen. Op de deuren hangen namenlijsten. Ene Johannes Petrus staat er op, en ene Marjoleine Van. Stoel 38 en 41.”Dat moeten wij zijn”, roep ik naar collega John. Het papier is een beetje nat. Als ik mijn naam aanwijs wrijf ik hem eraf. “Oei”, zegt een man naast me, “nu mag u niet meer mee.” Met zes mensen zitten we even later in de coupé. Of beter: liggen we. Iedereen heeft zijn stoel al omgebouwd tot bed, ook al is het nog maar 7 uur in de ochtend. De meneer schuin onder me wuift. Hij speelt met zijn telefoon en zet een muziekje aan. Zachtjes zingt hij mee.
De reis duurt elfenhalf uur. Maar niet alleen daarom legt onze coupé zich meteen ter ruste. Indiërs zijn dol op slapen. Ze kunnen het overal. Letterlijk. Slapen is treinhobby nr. 1. Direct gevolgd door nr. 2, eten, en nr. 3: reisgenoten uithoren. Wie wakker is eet of kletst of doet allebei. Met zijn buren en op het balkon, waar de open deuren open staan. Ze hangen naar buiten terwijl de trein met 110 km per uur door het land schiet. Lévensgevaarlijk, maar de buitenlucht is lekker en bij de deur zie je tenminste wat (door de ramen in de aircowagons daarentegen ongeveer niets). Golfplatenwoninkjes, buffels en koeien, kippen, kinderen, gezinnen op brommers die wachten voor de spoorbomen, het hele Indiase leven komt voorbij. Op het geel-oranje station van Ratnagiri lopen de de koeien op het spoor en zitten de mensen onder de vijgenbomen, alsof een schilder ze heeft neergezet. Beeldschoon. Na weer een tunnel rijden we door rijstvelden en opnieuw schilderstukjes. Een meisje doet een handstand. Op een snikheet veldje speelt een groepje jongens een potje cricket. Ze zijn allemaal gekleed in het wit. Ik schrik op. Er staat een verkopertje naast me. “Backpack madam? Chloorbrilletje?” Waarbij hij een onnavolgbare zwembeweging doet. Bij het laatste artikel stikt hij er zowat in. “Massagestaaf, madam?”
Als we bijna in Goa zijn zakt de zon tot hij een felrode bol is achter de palmen. De meneer onder mij zet weer een muziekje aan. Hij valt in en knipoogt naar zijn vrouw. “I’m nobody’s child.”


Station Madgaon
In de trein zingt het al rond. De oude Portugese kolonie moet prachtig zijn. Een meneer uit Panjim, Goa’s grootste stad, zegt: “U moet onze natuur zien, onze witte kerken, en de drank is bij ons goedkoop!” Een landgenoot vraagt hoe lang ik er blijf. Eén dag. Hij schrikt ervan. “Veel te kort!” Hij zal gelijk krijgen. Overal willen we langer blijven. Te beginnen op Station Madgaon, vol muurschilderingen van de beroemde cartoonist Mario Miranda. Maar daar is gids Ryan al. “Goa is populair”, vertelt hij. “De stranden zijn een magneet voor hippies, backpackers, Amerikanen, packagedealtoeristen, en recentelijk nog iets. Het medisch toerisme. Iedereen verlaat Goa jong!” Ik kijk John aan. “Hebben we nog even?”  Maar snelle Ryan gaat door, naar Panjim en Old Goa. De twee steden die ertoe doen. We zien veel, en blijven wat langer op wat we de topplekken vinden: als eerste Fontainhas, de oude, hemelsblauw, oranje, geel en terra gekleurde Portugese wijk in Panjim. Er klinkt vioolmuziek, gespeeld door een stokoude heer in een gerafelde korte broek. “Iedereen houdt hier van muziek”, zegt hij. “In Fontainhas klinkt de fado.” Mooi! Ook Portugees zijn de Chiesa di Maria Immacolata, en de werelderfgoedkerken in Old Goa. De eerste kerk ligt hoog, met een San Francisco-achtige slingerlaan ernaartoe. Elke Indiër kent hem uit de film. Ook de Basiliek van Bom Jusus en de kerk van Franciscus van Assisi zijn topattracties. In de basiliek wordt juist het Fransiscus Xaverius-jaar gevierd. We hebben mazzel! Eens in de tien jaar wordt het lichaam van de Jezuïet getoond. Tijdens een missietocht stierf hij de hongerdood. Zijn lichaam weigerde te verteren. We schuifelen met de rij naar binnen en aanschouwen het piepkleine, heilige lijfje. “In het Franciscusjaar komen er vijf keer zoveel toeristen naar Goa als normaal”, zegt Ryan. “Franciscus’ lichaam heeft voor alle geloven een totemstatus. Wij denken dat hij Goa beschermt.”

India 2-21

Dabbawallahs halen de lunchboxes op die per trein naar Mumbai zijn gestuurd
TREIN 2 + 3. Goan Express, stoptrein naar Hospet

Madgaon-Hubli-Hospet, 351 km.

Zie je vanuit de Konkan Railway een dagelijksleven-in-India documentaire, vanuit de Goan Express kijk je naar een natuurfilm. De trein rijdt van de westkust de bergen van de Western Ghats in, een Unesco werelderfgoed en een van de acht ‘hottest hotspots’ ter wereld voor biodiversiteit. Simon Fernandez, een medepassagier, schiet me aan. “Ongelooflijk hè, dat uitzicht? Daarom is het zo erg dat dit gebied wordt bedreigd door illegale boomkap. Vijftig trucks vol bomen per dag verdwijnen er. Sommige diersoorten zíjn al verdwenen. De kikkers en slangen die in mijn jeugd nog gewoon waren zie je nooit meer. De ellende is dat je het de mensen die het doen niet kunt kwalijk nemen. De armen kappen de bomen en verdienen er wat aan. Maar de echte boeven nog veel meer. Overal wordt de wet ontdoken. De corruptie is gigantisch.” Ik zucht. Het is één van de problemen van India, de onuitroeibare corruptie. Hier komt het bovendien samen met een ander Big Indian Problem: het milieu. Doodzonde. De Western Ghats zijn prachtig. Tropische wouden met rotsige heuvels bij een bijna ondergaande zon, wat wil je nog meer? Het absolute hoogtepunt zijn de Dudhsagar Waterfalls. Van 600 meter stort het schuimende water naar beneden in een wijd vertakte waterval. Dudhsagar betekent zee van melk. Naar een legende van een naakte prinses die haar beker warme melk leeggooide om een prins het zicht op haar naaktheid te belemmeren. De mensen in de coupé waarschuwen. Als journalist mag ik de waterval niet missen. “Nu opletten, zometeen rijden we ertussendoor!” Dat ertussendoor is letterlijk. Links en rechts van het spoor is een gedeelte te zien. Magisch! Het leuke: iederéén vergaapt zich aan de waterval. Ook uit de monden van de Indiërs klinken Ooooohs en Aaaaahs.


Station HOSPET (Hampi)
Een op hol geslagen orkest waarin iemand voortdurend HORN PLEASE! roept, terwijl iedereen al toetert en de dirigent even plassen is. Welkom in Hubli! Het is ons overstapstation op weg naar Hospet, en een typisch Indiaas gekkenhuis waarvan we nog nooit hadden gehoord maar toch blij van worden. Het eigenlijke doel is Hospet. Er vlakbij ligt een van de mooiste monumenten van heel India. Hampi, een wonder van een ruïnestad met kwistig neergekwakte tempels en paleizen tegen een decor van rotsblokken. In de Middeleeuwen de stad waarvandaan Zuid-India geregeerd werd. Volgens de Portugezen stroomde het goud er en gooide de vorst edelstenen naar zijn soldaten, na weer een gewonnen strijd. Zou het complex in Nederland liggen dan zou het worden beschermd, gekoesterd en bewaakt. “Maar in India hebben we zo véél tempels”, zegt Naga, gids van beroep. “We beseffen niet hoe rijk we zijn. Tot de jaren ’60 lag Hampi er vergaan, vervuild en vergeten bij. Pas in de jaren ’80 kreeg de stad meer bekendheid. Ze was toen al weer ruim honderd jaar ontdekt door de Engelsen.” Intussen is de plek Unesco werelderfgoed, maar druk is het er nog steeds niet. Wellicht vanwege de uitgestrektheid: ruim 20 vierkante kilometer. Tip: neem een dag de tijd en huur een fiets!

India-09
Familie in Pondicherry

 

TREIN 4. Mysore Express

Hospet-Hubli-Mysore, 614 km.

Na de tempels volgt het avontuur: de eerste nachttrein! Romantisch stel ik me voor hoe het is om het licht te zien worden boven de Indiase velden, liggend op mijn bed, terwijl de chaiwalla de eerste thee rondbrengt. De werkelijkheid is prozaïscher. Als we instappen ruikt het naar mottenballen! Tegenvaller twee: we hebben geen beddengoed en er is in geen velden of wegen een treinmedewerker te bekennen. Dan staat de trein stil. In the middle of nowhere en met alle deuren open. “Dat wordt een slapeloos nachtje”, zegt John, terwijl hij zijn bagage vastzet met rollator-alarmen, een soort trekrotjes maar dan veel, véél harder. Uiteindelijk komt er een conducteur. “U zit verkeerd”, zegt hij. “Deze stoelnummers komen voor in meerdere klassen.” PANG!! John pakt meteen zijn rugzak en trekt zijn rollatorrotjes los. We stappen over de knock out gegane conducteur (grapje) en lopen naar de AC 2tier (airco 2de klas, 2 bedden boven elkaar), gelukkig wel voorzien van beddengoed. Als we eindelijk liggen hoor ik getrippel onder mijn bed. Een schattig kopje steekt uit mijn rugzak. Een muis! Ik vertel het John en kachel in slaap. John niet. “Hij liep over mijn rug”, zegt hij de volgende morgen. En toch: het slapen in een nachttrein heeft romantiek. Je ziet het inderdaad licht worden boven de rijstvelden. “Dat uitzicht is toch iets waarvoor je het zou moeten doen”, zeg ik tegen John, die, niks voor hem, hierop geen antwoord geeft.


Station Mysore
Mysore is anders. Het is er schoner en ruimer. Er is een vuilnisophaaldienst in plaats van een stortplaats op elke straathoek. Ook lijkt de stad wel aangelegd in plaats van organisch gegroeid. De reden: Mysore is een Maharadjastad. Vooral het Maharadjapaleis – een half dorp in Eftelingstijl – is een sprookje. Er horen 24 tempels bij. Het mooiste moment om het paleis te zien: zondagavond rond 7 uur, vanaf de heuvel. Dan wordt het paleis verlicht door talloze kleine lichtjes. Behalve voor het extravagante paleis ga je naar Mysore om te shoppen. De hoofdstraat bulkt van de juwelierszaken, de winkels hebben verlichte etalages. Dat hebben we nog nergens anders gezien. Sla vooral ook de Devaraja markt niet over. Een bloemenzee, een fruit- en groenteoceaan, en alle spullen die je maar wil overwegen voor mee naar huis! Ik houd me in en koop een voorraadje fel gestreepte boodschappentassen.

TREIN 5. Ooty express

Mysore-Ooty, 126 km.

Sorry, vandaag geen trein! Per trein naar Ooty is honderden kilometers om. Voor één keer een bus of taxi scheelt een dag. Minpuntje: je moet het krankzinnige Indiase verkeer in, wat meestal doodsangsten uitstaan betekent. Gelukkig valt de weg naar Ooty mee. We rijden over een rustige plattelandsweg, later door een natuurpark. Een relaxed tochtje. We stoppen voor een kudde koeien, en voor de schooldrumband waar de rest van de school achter marcheert. Een schoonmaakproject: alle kids gaan helpen bij het opruimen van zwerfvuil. In het Bandipur National Park valt één bord langs de weg het meeste op. QUIET CORNER OF INDIA. Verhip! Het lawaai is weg! “In dit park zitten de tijgers” , zegt Mahadiv, onze taxichauffeur. “Bandipur heeft er zo’n 100. Ik heb er één keer één gezien. Vlak voor Ooty.” We rijden de Elephant zone in. Geen olifant te zien. Wel apen, een kudde damherten, en een zwijntje. En billboards. Reclame voor safari’s, en waarschuwingen. No smoking. No liquor. No photograph. Geen voedsel maar de dieren gooien, niet de beweging van de dieren verstoren. No parking, no litter. Don’t throw plastic. Don’t risk your life. Go slow. Maar geen Flappie of Jumbo. We passeren de staatsgrens, en zijn in Tamil Nadu. Er beweegt iets naast de weg. “Yes!!”, juich ik. “Een olifant.”


Hill station Ooty Snooty Ooty noemden de Engelsen hun zomerhoofdkwartier. Een hill station tussen de theeplantages, waar men bij een kopje thee bijkwam van de gekte en de hitte. Ik stel me een verzameling buitenhuizen op een theeheuvel voor, een waranda waar je de thee nuttigt. Maar snooty is Ooty allang niet meer. Van koloniale sporen is geen sprake, Ooty is 100% Indiaas. Geeft niet. Erger is het dat we horen dat de Nilgiri Blue Mountain Train niet rijdt! Er is een aardverschuiving geweest en het spoor is onberijdbaar. Misschien, misschien dat morgen het gedeelte Ooty-Conoor gedaan kan worden, maar misschien ook niet. “Ik bel u”, zegt de man van het reisbureau dat tickets voor ons regelt. Oh dear. We zijn in Ooty vanwege deze legendarische toy train, inmiddels Unesco werelderfgoed, en nu zal die niet rijden?!

TREIN 6. Nilgiri blue Mountain Train

Ooty (Udagamandalam)-Mettupulayam, 46 km.

De volgende morgen blijft het lang spannend. Dan komt er een telefoontje: “De trein rijdt! Maar niet de hele route. U kunt maar tot Conoor.” Weer een telefoontje. “The person with the tickets is coming.” Tien minuten wordt twintig minuten, wordt een half uur. De vertrektijd van de trein nadert, we horen de stoomfluit. Die bloody IST! Officieel Indian Standard Time, in de praktijk Indian Stretchable Time mee… Maar ineens sprint iemand op ons af. “Please, your tickets. Please go!”
Yes! Een enorm geluksgevoel overspoelt me. Het blijft de hele treinreis hangen. Feestje! Op John en mij na is iedereen Indiaas, toerist, en door het dolle heen. In onze coupé zitten vooral jonge IT-ers uit Bangalore. Iedereen fotografeert elkaar. In elke tunnel – pikdonker – stijgt een gejoel op dat aanhoudt tot de tunnel voorbij is. Naast ons komen theeplantages voorbij, eucalyptus- en acaciabomen en hier en daar een dorp.
De Nilgiri bergtrein is een van de laatste stoomtreinen van India, meer dan 110 jaar oud, en rijdt met een gemiddelde snelheid 9 km per uur de berg op en af. Ooty ligt op 2200 meter. Om de stijging te kunnen maken heeft de trein een pinionsysteem, een soort ritssluiting tussen een extra middenrail en de (duwende!) locomotief. De tanden grijpen in elkaar waardoor de trein niet kan wegglijden. Knap werk. Totaal duurt de rit 4,5 uur, in Conoor ben je vanaf Ooty met een uurtje.


Station Coonoor
Conoor is volgens de Rough Guide ‘a bustling, honking mess’ die je beter kan overslaan. Onterecht. Wij vinden het leuk! Stel je voor: aan je voeten gehurkte omaatjes die schreeuwend kruiden verkopen, achter je een busstation, voor je marktkooplui die aanprijzingen roepen als rummururummurummuru! – het Tamil klinkt als een raspende motor – maar allemaal naar je lachen en (waarschijnlijk) grappige dingen zeggen. En tussen dat alles door door honderden riksja’s, vrachtwagentjes, pick-ups, brommers, bedelaars en beesten. We eten een banaantje en ik vraag of er een vuilnisbak is. “Daar!” Er staat een geit op een afgeschermd perkje met stápels afval om hem heen. De bananenschillen gooi ik erbij, het plastic toch maar niet. Boven, in Upper Coonoor, hangen wat jongetjes rond. Ze spreken wat Engels, we praten over sport. Cricket, hockey, voetbal. Tegen het jongetje dat Kevin heeft zeg ik: heb je een bat? Hij glundert, rent naar huis en komt terug met een prachtig bat. Hij heeft geen bal, dus dan maar showen met wat steentjes. Bijna is er een dodelijk slachtoffer te betreuren.

TREIN 7. Nilagiri Express

India 2-22Mettupalayam – Chennai, 532 km

Het is niet anders. Tussen Conoor en Mettupalayam moeten we met een taxi. Hemelsbreed een kippeneindje. Toch zijn we blij als we weer in de trein zitten. Stukken gezelliger. Johns buurman kijkt mee als hij door zijn foto’s bladert. Mijn keurige overbuurman eet kedgeree, gekruide gebakken rijst, vertelt dat zijn vrouw het heeft gemaakt, en zegt: “Proef!” Het is heerlijk, en daarom moet ik alles maar opeten. Zijn hele avondeten (ik weiger). Hij naar de wc, komt terug en laat een vette boer. Privacy is een béétje anders geregeld in India. Ter afwisseling wandel ik door de trein. Een chaiwalla ligt een tukje te doen in een kast. Anderen hangen rond. Er zijn nauwelijks toeristen aan boord, iedereen wil met me kletsen. Een passagier vertelt dat er Indiërs nogal roekeloos zijn met treinen. Er gebeuren veel ongelukken als de trein passeert. “Laatst kwam er nog een pasgetrouwd stel met een ossenkar vast te zitten op de rails. Ze zijn overreden door de intercity.”


Station Chennai
Chennai (tot 1997 Madras) heeft twee geweldige stations. Centraal en Egmore, allebei gebouwd in de Engelse tijd. Ook daarbuiten is de stad niet de vieze metropool zoals zij vaak wordt beschreven (‘oppressive heat and pollution are likely to be your lasting impressions’). Chennai lijkt schoner dan Mumbai, zuidelijker van sfeer en minder zakelijk. Mumbai is het commerciële centrum, Chennai het culturele. De Chennaites weten het zelf ook. Het Ripon-gebouw, de koloniale witte kolos vlakbij Mumbai CS, zou eerst worden gesloopt, maar in 2012 gooit de gemeente er toch 1 miljoen euro tegenaan voor renovatie. Elke Chennait prijst bovendien het Government Museum, de Kapalavishvara tempel en de San Thome kathedraal aan, alledrie culturele, en niet te missen hoogstandjes. Vanaf de kathedraal loop ik door een smal straatje naar Marina Beach. “Hier kwam de tsunami van 2004”, vertelt de klant voor de kapsalon op het strand (!). “Er vielen 200 doden, waaronder cricketende kinderen.” Mijn maag draait om. Meneer Yam Ramsam, al zestig jaar strijker van beroep en kappers buurman, troost me. Hij werkt in een hok formaat bushalte met een strijkplank en wat planken voor de schone was. Maar hij leeft en is vrolijk!

TREIN 8. Pondicherry Express

ChennaiPondicherry en vv, 394 km heen en weer.

De oostkust van Zuid-India is, zeker vergeleken met de westkust, vanuit de trein tamelijk saai. Het is vlak, je ziet bedrijven en bebouwing. Rijkeluishuizen (van de jetset van Mollywood, de filmindustrie van Chennai) afgewisseld door armoedige. Het laatste stuk naar Pondicherry scheert de trein rakelings langs huisjes. In de trein is het rustiger dan in alle vorige. Maar we ontmoeten weer leuke mensen, waaronder Vrolijke Perdiep. “Hallo Madam!”, roept hij. “Good quality chips?” Ik zeg: “Maybe later.” Een minuut later is hij er alweer. “You like one now?” Een act die hij nog keer of zes herhaalt. Dan zegt hij: “I like you Madam.” En giechelend naar zijn collega’s: “I love you. Are you married?”


Station Pondy
Station Pondy in Pondicherry, door de inwoners liefkozend Pondy genoemd, voel je de Franse erfenis. De stad was tot 1954 Frans, en ziet er weelderig uit. Witte gebouwen, brede lanen en veel (Franse) cultuur. Je eet hier stokbrood, maar ook idli (een zurig Zuid-Indiaas broodje), dosa (een knapperige crepe) en curries. Een Fransman, Wilhelm Hangan, vindt juist dàt de charme van Pondicherry. “Ik kan Franse kaas kopen, een baguette eten wanneer ik wil, en mijn fietsje pakken en overal op straat iets lekkers halen. Een ijsje hier, een dosa daar. In Pondy leerde ik van het leven te houden”, zegt hij. “Wij zeggen tijd is geld, in India is tijd een gift. Ik voel me hier los van alles.” In Pondy bedenk ik dat ik het nu al kan voorspellen. Als ik thuis ben wil ik terug.

Dit artikel verscheen in Reiz&magazine. De reis maakte ik samen met fotograaf John van Helvert.