‘Ik beken dat ik vaak tegen hem praat’

with Geen reacties

De erfgenaam van de eerste wandelaar

De man die Nederland aan het wandelen krijgt is een negentiende-eeuwse dominee, Jacobus Craandijk. Flip van Doorn is zijn geestelijk erfgenaam en schreef een boek over hem. De eerste wandelaar. Een gesprek over zijn boek en zijn held, natuurlijk onder het maken van een echt domineesrondje.

 

‘Waar ik me weleens over verbaas’, zegt Flip van Doorn ergens halverwege het rondje Beetsterzwaag, is de opmerking dat iets ‘on-Nederlands’ mooi is. Als je alles wat on-Nederlands is bij elkaar zet, krijg je Nederland! Nederland is ongelooflijk mooi en divers. Mensen kennen soms wel elke kroeg op Kreta, maar hun eigen land nauwelijks. Jacobus Craandijk had trouwens hetzelfde ongenoegen. Honderdveertig jaar geleden al schrijft hij: ‘In den vreemde zijn meer Nederlanders in Zwitserland geweest dan in Drenthe, en menigeen, die in Parijs perfect den weg weet, is een vreemdeling in Limburg of in Zeeland’.’
We lopen op heilige grond. Daar waar ‘de wandelende dominee’ ook gelopen heeft. Een wandeling langs buitenplaatsen en ‘hoogopgaand hout’, over zandgronden en heidevelden, ‘typisch van die landschappen die Craandijk mooi vindt.’ In Friesland, omdat Flip in Friesland woont, maar het is een on-Fries rondje. Rond Beetsterzwaag zijn nauwelijks meren, koeien en weilanden te vinden. Voor mij een ontdekking. Voor wie dominees Wandelingen door Nederland met pen en potlood gelezen heeft een weet.

 

Zwerven, ontdekken, lopen

Acht boeken schrijft Craandijk over zijn wandelingen, in totaal ruim negentig tochten. Hij maakt zijn wandelingen tussen 1874 en 1888. Met de boeken heeft Craandijk twee doelen voor ogen. Mensen laten zien hoe mooi hun land is, én ze naar buiten krijgen. ‘In het buitenland is het de natuur in trekken dan al langer in zwang. In Nederland nog niet. Craandijk is de allereerste langeafstandswandelaar’, zegt Van Doorn. ‘Hij houdt van zwerven, dingen ontdekken, eindeloos lopen. Wandelen van zonsopgang tot zonsondergang vindt hij het mooiste wat er is. Zijn lezers (nog) niet. Ze kopen zijn boeken niet om ze als gids te gebruiken. Maar hij schrijft zo aanstekelijk dat ze het zelf willen zien en beleven.’
Voor Flip van Doorn zelf geldt dat ook. Hij leest alles, smult en gaat op onderzoek. ‘Ik dacht dat ik Nederland goed kende, maar dankzij Craandijk heb ik nieuwe plekken ontdekt. Op de wandeling van Rijswijk naar Voorburg bijvoorbeeld. In die stedelijke jungle kun je nog steeds in Craandijks voetspoor wandelen. Door de oude kern van Rijswijk, langs de Vliet, langs de landgoederen. Elders klopt hij nog preciezer. Zou je Craandijk loslaten in de binnenstad van Breda, dan zou hij alles nog hetzelfde kunnen beschrijven. En er is zelfs een NS-wandeling die precies de route van Craandijk volgt, die van Goor naar Delden.’ Voor een wandelaar van nu, met wensen van nu, is volgens Van Doorn driekwart van zijn beschrijvingen zo te gebruiken. ‘In Craandijks tijd had Nederland zo’n 4 tot 5 miljoen inwoners. Nu 17 miljoen. Plaatsen als Hilversum en Drachten, waar ik een beetje op afgeef in het boek, zijn hierdoor onherstelbaar veranderd. Maar zodra je Hilversum uitloopt is het weer net als toen. Bij ’s Graveland heb je een schitterend wandelgebied. Even mooi als in de dagen van Craandijk, maar veel toegankelijker. In Craandijks tijd was het allemaal privébezit. Alle schoonheid bleef achter de hekken. Nu is bijna alles van Natuurmonumenten, en opengesteld. Er zijn dus ook dingen ten goede gekeerd.’

Tussen vooruitgangsgeloof en nostalgie

Dat Craandijk door het hele land wandelt, komt ook doordat dat in zijn tijd voor het eerst kan. Het land wordt in een rap tempo ontsloten. Nederland is laat met zijn industrialisering, maar als het begint, gaat het snel. ‘Nederland wordt in korte tijd van laatste restje Middeleeuwen de moderne tijd in gekatapulteerd. In Craandijks tijd zijn enorm veel spoorlijnen aangelegd.’ De wandelende dominee maakt er dankbaar gebruik van. ‘Eigenlijk is hij de eerste die NS-wandelingen maakt’, zegt Van Doorn. De dominee leeft op een scharnierpunt in de geschiedenis. En is zich daarvan bewust. ‘Hij doet er verslag van. Soms opgetogen, soms droevig over wat er verdwijnt. Hij balanceert tussen vooruitgangsgeloof en treuren om wat er allemaal verdwijnt.’ Van Doorn herkent de spagaat. ‘Ik heb dat zelf ook. Aan de ene kant denk ik dat het verdwijnen van de natuur en wandelpaadjes moet stoppen. Omdat er al zoveel weg is. Maar ik heb geen talent voor nostalgie. Dat was ook niet de drijfveer dit boek te maken. Ik heb het uit liefde voor de schoonheid van Nederland gemaakt, en omdat het mooi is die twee tijdperken naast elkaar te leggen. Ik ben heel vaak verbaasd geweest dat dingen die speelden in zijn tijd ook onze gemoederen bezighouden.’

 

Vrienden

Steeds vaker denk ik het. Wat lijken die twee op elkaar! Flip van Doorn knikt. ‘We zijn uit hetzelfde hout gesneden. Mijn lievelingscitaat is ‘En verkiest gij te wandelen, nu ja, dan kunt gij overal komen.’ Dat heb ik ook. Net als Craandijk ervaar ik een enorme vrijheid als ik wandel en vaak voel ik hem dan heel dicht bij me. Misschien komt dat ook door mijn werkwijze. Als ik ergens ga wandelen lees ik eerst zijn verslag, en onderweg probeer ik te zien en te beleven wat hij ook zag en beleefde. Als dat gebeurt, maakt het ineens niet meer uit dat het 140 jaar later is. Dat is wel een sensatie hoor, als dat je overkomt. Je bént dan even in Craandijks tijd. Ik kijk nog steeds een beetje tegen hem op, dus ik zeg dan niet ‘Hé Co, wat een gaaf land hebben we hè?’ Ik zal hem nóóit Co noemen. Een tante van mijn vriendin wees me erop dat ik misschien wel te veel respect heb. Ze zei: ‘Jullie hadden vrienden kunnen zijn. Toen hij die boeken schreef was hij even oud als jij en had ook drie kinderen. Je moet naast hem gaan wandelen!’ Toen ik aan het boek begon heb ik hem daarom van zijn voetstuk afgehaald. Schoorvoetend noem ik hem nu collega. Hadden wij in dezelfde tijd geleefd dan hadden we het goed met elkaar hadden kunnen vinden. Ja, dat durf ik wel te zeggen. Ik heb hem zo goed leren kennen… In het boek leidt dat zelfs tot een ontmoeting met de dominee. Dat is aangedikt natuurlijk, maar het voelde echt zo. Ik beken dat ik vaak tegen hem praat.’

Flip van Doorn

Dit is een iets ingekorte versie. Het complete verhaal verscheen in Op Pad.