De leukste van vroeger

with Geen reacties

Vooruitgang

Als mijn moeder vroeger met krulspelden rondliep kwam ze niet eens in de buurt van het raam. Laat staan op straat. Bij de toko naast mijn werkkelder is dat wel anders. De eigenares staat met haar rollers gewoon achter de toonbank. De vooruitgang zit soms in kleine dingen.

Krulspelden

Mijn maag draait zich om. Elke keer als ik de foto zie. Die eenzaamheid! Toch is er niet alleen pijn. In het verpleeghuis leef je nog als je naar de kapper gaat, je nagels laat lakken, of een keurig sjaaltje om slaat. Zolang er krulspelden zijn is er hoop.

Turkse kan

Ze heeft het altijd koud, zei ze. Echt altijd. Daarom is de rode deken zo fijn en hangt hij altijd bij de hand. Verder moest ik maar niet te veel op de troep letten. ‘Want weet u, ik woon hier nog maar pas, hebt u trouwens dat uitzicht gezien?’ Aan de muur hingen hier en daar roze ‘geeltjes’ van die notitieblaadjes. Daar, en nergens anders moesten de schilderijen komen te hangen. En misschien ook wel de Turkse kan, een van de weinige souvenirs die ze nog had van haar vele reizen.

Gouden Kalf

We waren dus op een Grieks eiland, fotograaf John van Helvert en ik. Of eigenlijk op vier Griekse eilanden. Behalve op het eiland van de magier, ook op Aegina, Poros en Hydra. Het laatste is een katteneiland. We namen er een filmpje op waarin ik iets klets over het eiland en intussen een van de Hydriotische katten een beurt geef waaraan hij voor de rest van zijn leven genoeg heeft. Hilarisch. We rekenen dan ook op een Gouden Kalf.

Magie

Het is zeven uur in de ochtend, ik sta op de kade van het Griekse eiland Spetses, het eiland uit John Fowles boek The Magus (de magier) en ik zie een schilderij van Mark Rothko. Ik stuur een sms en hoor later dat tegelijk met mijn sms het boek van Fowles bij de ontvanger aankwam. Op het moment dat ik zelf het bericht hierover ontvang, heb ik het, hoogstwaarschijnlijk niet geheel toevallig, met de heer Mimis Zacharias over, juist ja, The Magus. Magisch plekje, dat Spetses.

Niet zó surrealistisch

Eens in de zoveel tijd heb ik zin in surrealisme. Intussen is het alweer even geleden. Drie jaar terug maakte ik een serie naar schilderijen van Magritte. Pas toen ik inzoomde op de foto zag ik dat de kat heel onsurrealistisch tegen het gordijn gepiest had.

Waffia

Stio, een dorp van 983 inwoners in de bergen van het Nationaal Park Cilento, was een ontdekking. Voor het eerst van mijn leven hoorde ik er over de waffia, wat niet staat voor de maffia voor honden, maar een sociale laag die neerkomt op de mensen van jouw hofje. Een waffia is piepklein. Een stuk of drie families vormen samen een waffia.

Appelsapmaffia

‘Bij ons afscheid zijn hele lieve woorden gesproken’, zegt de een. ‘Dat is leuk hoor’, zegt de ander, maar nódig? Ik denk het niet. Wij vinden het gewoon wat wij doen.‘Zo’n interview hoeft voor ons eigenlijk niet. We hebben dat ook nog nooit gedaan’, zegt hij. ‘Nou goed’, zegt zij. ‘Vraagt u dan maar.’ En zo gebeurt het, en schrijf ik over twee lieverds die dertig jaar vrijwillig naar de gevangenis gingen. Bajesbijnaam: de appelsapmaffia – vanwege de drie pakken appelsap waarin de reclassering voor het bezoek voorzag. Na een uurtje praten zegt zij: ‘Zal ik een boterhammetje voor je maken met een kopje soep?’ Na nog weer een uurtje zwaaien de twee 81-jarigen me uit. Tot ik uit het zicht verdwenen ben staan ze in hun tuin te wuiven.

Mercikes

Het Belgische cafeleven is superbe in beeld gebracht in de documentaire Bedankt en merci. Ook al gaat die film alleen over de Westhoek, de volkscafes die erin voorkomen zijn exemplarisch voor de cafes door heel Belgie. Wat cafes betreft is, durf ik wel te stellen, is Belgie nog 1 land. Aan weerszijden van de taalgrens (d’n schreve) kom je er dezelfde soort landerigheid tegen, en ook een weemoedig soort gezelligheid.

Monsieur Yeti

Zelfs België heeft een nationale feestdag. Op 21 juli wordt gevierd dat het land in 1830 als onafhankelijke begon. Nou ja, gevierd. In het café in Mouscron wordt muziek gemaakt, gezopen en gelachen, maar dat is meer ondanks België dan dankzij. Dansen op de afgrond? ‘Het zou weleens de laatste keer kunnen zijn’, zegt de man die Monsieur Yeti wordt genoemd, waarna hij goedgemutst nog een extra rondje bestelt.

Ghaneesjes


Eindelijk, eindelijk was het dan weer weer om het hoofd uit de kelder te steken. Meteen gaan wandelen. De Vlietlanden tussen Delft en Vlaardingen, oa langs de route die ik vroeger naar school (mijn werk toen) fietste. Onderweg kwam ik pas geschoten ganzen tegen, wereldvreemde boertjes, en een aardige dame die thee schonk voor Ghaneesjes. En surrealistische plaatjes.

Schriftlezing

In de kunstbijlage van de Volkskrant stond een groot verhaal over de kunstenaar Roy Villevoie. Hij heeft een beeld gemaakt dat is aangekocht door het Tropenmuseum. Een beeld dat, zoals de Volkskrant schrijft, tot nadenken stemt, maar ook ontroert. Wel gek vond ik dat Villevoie in het interview niet een keer de man noemt die het beeld daadwerkelijk heeft gemaakt – Villevoie heeft het verzonnen, mens- en diermaker Remie Bakker bouwde man en baby. Een enorme klus, waar ik destijds nog een reportage van heb gemaakt. Dat je met iemand samenwerkt lijkt me geen schande. Maar geen woord dus over Bakker. Is het in de kunstwereld soms de gewoonte net te doen of je alles zelf hebt gedaan? Dan zijn we in de fotografie verder. Als Erwin Olaf iemand inhuurt om zijn foto’s te bewerken staat dat er gewoon bij. Tot zover deze schriftlezing.

Sjeffen

‘Dat ga ik niet sjeften’, hoorde ik vandaag iemand zeggen. Dat gevoel heb ik nu zelf ook. Ik bedoel: gisteren ging ik weer eens naar het hardlopen en was eerst alle sport-bh’s kwijt en scheurde toen een kuit. Vandaag probeer ik hard te werken, maar gaat de hele dag de bel. Steeds weer een nieuwe pakjesman met pakjes voor de buren. ‘Omdat u toch thuiswerkt, bel ik maar eerst bij u.’ Bidt voor mij, opdat ik geen dingen doe waar ik later spijt van krijg.

Thuis

Ik kom vaak bij vreemden thuis; een van de voordelen van de journalistiek. In al die huizen zie je van alles, maar maar zelden iets waarvan je denkt Hemeltjelief, de revolutie komt eraan. De meeste mensen zijn conservatief. Heel anders is het als wildvreemden naar jou toe komen. Deze familie kwam naar mijn kelder om te worden gefotografeerd. Ik kende hun zus/tante, maar deze moeder met dochters had ik nog nooit gezien. Ik kletste wat, zag hoe ze met elkaar kletsten, wat ze aan hadden. Maar gek genoeg was het zonder huis eromheen toch lastiger een beeld van hun leven te krijgen.

Blote borst

Vous-êtes Américaine? Dit is ongeveer wel de ergste vraag die je kunt krijgen in Parijs. In Palais Garnier, het oude operagebouw waar gelukkig nog steeds voorstellingen zijn, overkwam het me. Ik was er in werkkleding (Nikes en spijkerbroek) binnengelopen en had met veel geluk een kaartje bemachtigd. Een kwartier voor aanvang. Van het aanschaffen van een paar leuke pumps bij het nabijgelegen Lafayette kon geen sprake meer zijn. Laat staan van een verfrissende douche. De voorstelling – Giulio Cesare – was overigens magnifique. Of het Franse publiek dat ook vond van de ene blote borst van Cleopatra, fabuleus gezongen door Nathalie Dessay, werd niet helemaal duidelijk.

Schoonmaakmiddel

Dit is de Passage de la Trinite, die een paar jaar geleden nog bekend stond als de passage van de pis. Bewoners hebben een ophoginkje gemetseld op de voormalige pisplek. Je vraagt je af waarom dat pissers zou weerhouden er te lozen. Toch doet het dat blijkbaar, in de voormalige pispassage ruikt het nu naar schoonmaakmiddel.

Rotterdamse

Net aan de overkant van de Maasvlakte ligt een strak fietspad, dat even later overgaat in een pad door Voornes Duin. Het verschil tussen de vlakte en het duin kan bijna niet groter. Alles is groot op de Maasvlakte; in Voornes Duin juist alles klein. Op de dieren na. Er lopen ‘grote grazers’ rond. Wilde paarden en langharige koeien. Heel wild zijn de paarden niet, maar deze Rotterdamse scooterrijdster kreeg het er Spaans benauwd van. ‘Ik ben zo bang’, zei ze. ‘Doen ze echt niks?’ ‘Echt niet, mevrouw’, zei ik, alsof ik de paardenfluisteraar zelf was.

Weer zitt’n

Op een van die zeer warme dagen wandelde ik door Groningen. Ik kwam op plekken waar ik nog nooit was geweest, terwijl ik toch echt kortstondig in Ulrum heb gewoond en vandaaruit maar al te vaak naar Stad ben gevlucht. De Prinsentuin was de grootste ontdekking. Voor haar hofje trof ik hier een mevrouw die de noordelijke zus van mijn oma leek. Ze was stug, maar dat duurde niet lang. Er ontwikkelde zich een spraakwaterval. Waar ze zelf van schrok. Ergens halverwege een verhaal slikte ze de rest in zei: ‘Zo. Ik ga weer zitt’n.’ Met andere woorden: Klaar.